De Friese Wouden luidt noodklok

Geplaatst op: 13 juni 2007

De ontstane situatie leidt verder tot een aanzienlijk grotere kans dat de problematiek van een cliënt sneller medicaliseert en dus sneller een beroep moet worden gedaan op kostbare zorg. De WMO moest leiden tot betere zorg-op-maat maar het effect is het omgekeerde. Met alle gevolgen van dien. Directeur Herman Blom van De Friese Wouden ziet een oplossing in het toevertrouwen van de zorg voor cliënten aan professionele thuiszorgorganisaties. Waarbij de overheid achteraf controleert of ze hun werk goed doen. En zo niet, dan volgt uitsluiting.

Sinds de invoering van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO), op 1 januari dit jaar, kan de zorgbehoevende burger terecht bij de gemeente voor huishoudelijke zorg. De lichamelijk of geestelijk beperkte medemens kan door betere huishoudelijke zorg langer in zijn eigen omgeving blijven wonen en dat moet uiteindelijk leiden tot lagere zorgkosten. Een prijzenswaardig uitgangspunt. Maar de praktijk is anders. Veel cliënten hebben onvoldoende zicht meer op hun eigen situatie. De nu toegewezen zorgkwaliteit is te vaak óndermaats. In sommige gevallen levert de thuiszorgorganisatie toch een hoger niveau van zorg en gaat opnieuw in discussie met de gemeente. In andere gevallen wordt een beroep gedaan op de AWBZ als een soort onterecht vangnet. Gevolg is dat de AWBZ-pot sneller leeg raakt en de WMO-pot van de gemeenten voller blijft.

In te veel gevallen verloopt de correcte indicatiestelling vanuit de gemeenten te moeizaam of gewoon niet goed. Gemeenten hebben belang bij zo laag mogelijke kosten. Uit het WMO-budget moeten immers ook vele andere doelen gerealiseerd worden. De huidige problematische situatie is de gemeente dan ook niet te verwijten, integendeel, het is een logisch uitvloeisel van de nieuwe taken die ze met de WMO heeft gekregen.

Herman Blom, directeur van De Friese Wouden meent dat er een weeffout in de WMO-aanpak zit en dat de thuishulpverlening én beter, én goedkoper én makkelijker kan door cliënten na een eerste indicatie toe te vertrouwen aan een professionele thuiszorgorganisatie. De deskundigen van de thuiszorgorganisatie kunnen op basis van hun kennis en actuele ervaring met de cliënt, bepalen op welk moment of in welke fase de cliënt zorg nodig heeft. Over deze zorgverlening moet de thuiszorgorganisatie achteraf verantwoording afleggen. Net als bij banken houdt een autoriteit toezicht en doet ‘audits’. En wie het niet goed doet of zelfs fraudeert, moet verder als leverancier worden uitgesloten. De cliënt, de zorgverlener en de samenleving zijn met de voorgestelde werkwijze verlost van een bulk bureaucratie, de cliënt is beter af en de zorgverlener kan efficiënter werken. De gewenste marktwerking zien we dan terug in de keuze van welke organisatie leverancier mag zijn. En gezien de kwaliteit van het werk dat mag blijven. Het wordt de hoogste tijd om dat bij de uitvoering van de WMO de cliënt weer het vertrekpunt wordt.

|